Introductie

Een vrouw van veertien is uitgekomen op 7 november 2013.
1e druk, Layla Productions, ISBN13: 9789076541662
Zachte omslag, 320 pagina's
Een vrouw van veertien
Voor bestellingen zie de contactpagina.

Hieronder kun je het eerste hoofdstuk lezen.

ZAND

De eerste ontmoeting met Annemiek was tijdens een zomerkamp in Monnickendam. Ik was zestien en zat toen een jaar of drie op Stella Maris, een club van zeeverkennersen aan de Kralingse plas.
Zo’n kamp is iets bijzonders, zeker op die leeftijd. Twee weken zonder pa en ma, lekker vrij, lachen, rotzooi trappen. In onze ogen was dat heel wat, die rotzooi, maar in feite waren we redelijk brave jongens van middle class ouders. Aardige jongens ook, denk ik.
In die tijd was ik al het type dat ik nog ben. Wel meedoen met de actie, wat dat ook is, maar tegelijk ernaar kijken. Wel in het veld, maar dicht genoeg in de buurt van de zijlijn om er af en toe overheen te stappen en naar onszelf te kijken. Toen al wist ik dat ik sociologie wilde gaan studeren. De meeste klasgenoten hadden er geen idee van wat dat was, sociologie. Mijn eigen idee erover bleek later ook niet helemaal te kloppen, trouwens. Ik dacht dat het vooral zou gaan om het begrijpen van gedrag, maar het bleek meer gericht te zijn op waarnemen en bedenken hoe je gedrag zou kunnen sturen. Hoe dan ook, zolang ik me kan herinneren ben ik geïnteresseerd geweest in mensen. Kon uren op het centraal station zitten kijken naar voorbijgangers. En maar denken over wat hen bewoog, wat er in ze omging. Gedrag interpreteren.
Dat deed ik op Stella ook. Ik was kwartiermeester in mijn bak. ‘Bak’ was de naam voor een groepje verkenners die samen een boot tot hun beschikking hadden. De leider van een bak heette bootsman, en als kwartiermeester was je vice-bootsman. Er waren wel clubs die het hele spel van Baden Powell speelden, met alles erop en eraan. Vlag hijsen, uniform, groeten, dat soort dingen. Ontgroeningen ook. Wij waren een wat vrijgevochten club, veel relaxter. Geen uniform, geen vlag, geen eed. Ontgroeningen waren speels. Wij vonden het natuurlijk prachtig, dat anders zijn, en keken enigszins neer op de traditionele scoutinggroepen.
Ook op kamp bleek dat vrijgevochten karakter. Zo hadden we onderweg geen goed woord over voor mensen met een groot jacht. Wel slechte woorden, zeker als ze ons weigerden een ‘sleepie’ te geven. De bedoeling was dat je met je bak op eigen gelegenheid naar de afgesproken plek kwam. Roeiend en zeilend als het moest, maar liever liet je je natuurlijk slepen. Door een plezierjacht, of op groter water soms door een klein vrachtschip. Dan lag je lekker in de zon, stiekem bier aan boord, commentaar gevend op alles en iedereen die langs liep, fietste of voer. Of we zongen uit de zangbundel van de club aangepaste teksten op bekende melodieën. ‘Als de Kralingse Plas een vat met bier was, dan zat ik aan de kant met een bierglas in mijn hand.’ Dat soort. Het was hartstikke leuk. Zelfs als het regende. Lekker kankeren, eerst alles droog proberen te houden en dan je schouders ophalen als dat niet meer ging. Ik heb heel wat half doorweekte boterhammen naar binnen gewerkt.
Meisjes waren uiteraard gespreksonderwerp nummer één. Hoewel, meisjes, bij ons heetten die wijven. Afhankelijk van het soort ging het dus over lekkere wijven, hete wijven, takkewijven, toffe wijven. Maar vooral dat eerste. We waren vijftien en zestien, Rotterdammer en vol goede moed, zal ik maar zeggen.

Die zomer was het kamp dus in Monnickendam. We deden er twee dagen over om er te komen. Overnachten deden we op een vast adres in Leidschendam. Hoe de reis verder verliep, weet ik niet meer.
We stonden op kamp meestal bij een boer op het land. Een stuk of zeven, acht legertenten en een hudotent. Nooit precies begrepen wat dat nu betekende, ‘hudo,’ of waar de term vandaan komt. Wij hielden het op ‘Houdt uw darmen open’. Het stonk in ieder geval als de hel in die tent, en ‘de hudo legen’ was zo’n beetje het dieptepunt van je zomerkamp.
Ik had een leuke bak, met een paar ruige maar okeeje jongens erin. De bootsman heette Plee. Althans, wij wisten niet beter. Waarmee meteen de sfeer zo’n beetje weergegeven is.
We kwamen die avond vrij laat aan in Monnickendam. Dan valt het niet mee om de boten nog helemaal leeg te sjouwen en de tenten op te zetten, dus er werd flink gevloekt. Voor mij als beginnend socioloog natuurlijk een ideale situatie. Afgezien van die kankertenten dus.

De volgende ochtend zag ik Annemiek. Ze heette toen nog Mieke. In feite zeg ik Annemiek omdat dat haar eigenlijke naam is en ze nu ook zo genoemd wordt, maar in mijn hoofd zal ze denk ik altijd Mieke blijven heten. Het is twijfelachtig of mijn herinnering aan die eerste ontmoeting precies klopt met hoe het was. Voor een rechtbank legt mijn getuigenis waarschijnlijk weinig gewicht in de schaal. Maar ik vertel het toch maar gewoon zoals ik het me herinner.
Ik liep van onze tent naar de boten, die een stukje verderop aan de vaart lagen. Die vaart kwam uit in de Gouwzee, het gedeelte van het IJsselmeer tussen Monnickendam, Marken en Volendam. Misschien ging ik iets ophalen, dat weet ik niet meer. Je kon over het weiland naar de boten, of via het erf van de boer en dan over de weg. Ik liep over het erf en zij zat daar te spelen in de zandbak. Toen ik haar zag ging er iets van verbazing door me heen. Hoewel ik zeker wist dat ik het meisje nooit eerder had gezien, was er iets in haar blik en motoriek dat me vanaf de eerste seconde vertrouwd en vanzelfsprekend voorkwam. Ze zat te spelen met poppen in het zand, met de rust en concentratie die kinderen nog hebben. Ik liep langs en zei ‘hoi’. Ze keek me aan en zei niets. Ik dacht: O, die is verlegen, maar toen ik al tien meter verder was hoorde ik alsnog ‘hoi’. Op de terugweg zat ze er nog, dat was ook maar een paar minuten later. Ik kon haar al op honderd meter afstand zien vanaf de weg. Tijdens die honderd meter moest ik al aan Auk denken, mijn broertje dat overleed toen hij elf was. Leukemie. Dat was het jaar daarvoor gebeurd. Met Auk had ik veel in de zandbak gespeeld. Eerst toen we klein waren, en later toen hij niet zoveel meer kon ook weer. Het viel me op dat Mieke met een mooi soort rust speelde en bewoog. Met overzicht, zo leek het. Misschien herkende ik een collega sociologe in spe. Hoe dan ook, toen ik weer langskwam bleef ik opeens staan en vroeg haar of ze knikkers had. Weer antwoordde ze net iets later dan je zou verwachten. ‘Ja.’ Ik geloof dat ik me toen even afvroeg of ze wel normaal was, of ze misschien een beetje verstandelijk achter was. Het gesprekje ging ongeveer zo verder:
‘Heb je wel eens een knikkerbaan gemaakt in je zandbak?’
‘Nee.’
‘Zal ik er een voor je maken?’
‘Ik ben nu met poppen aan het spelen.’
De eerste keer dat ik binnen een paar seconden de underdog was. Ze had geen ja of nee gezegd en leek ook niet van plan om er nog iets aan toe te voegen. Toch voelde ik me op een of andere manier op m’n gemak. Ik bleef gewoon staan, zonder iets te zeggen. En zij ging onverstoorbaar verder met poppen verplaatsen en dingen van zand voor ze maken. Ik weet niet of ze hardop had gepraat voor ik kwam, maar nu deed ze dat niet. Voor mijn gevoel veranderde er niets gedurende vijf minuten, of misschien waren het er maar twee. Toen zei ze: ‘Zal ik m’n knikkers ophalen?’ Dus zo cool is ze nu ook weer niet, ging het door me heen. Ik zei dat ik dan even bij mijn tent ging melden dat ik hier was.
Een minuut of tien later zaten we in de zandbak te bouwen aan een grote knikkerbaan. Dat doe je als volgt: Je maakt eerst een grote berg zand. Die stevig aanduwen en dan rondom, van boven naar beneden, een baan maken waar knikkers over kunnen rollen. Met als hoogtepunt de tunnel dwars door de berg heen. Die moet een beetje bovenaan, anders is de berg al te breed en stort de tunnel in. Met water alles glad maken, ook het plafond van de tunnel. Je kunt de baan onderaan de berg nog een stukje door laten lopen.
Het spel is dan – maar dat leek me niet iets voor een meisje van haar leeftijd – dat je allebei een ploeg van tien wielrenners hebt. Je gooit alle knikkers tegelijk boven in de baan, en wie het laatst aankomt valt af. Zo hou je na negentien races één winnaar over. Er zijn ook andere varianten. Wij deden het met paarden, daar had ze meer mee. We verzonnen namen voor ze en moedigden ze aan tijdens de race. Ik uitbundiger dan zij; Mieke was duidelijk een secondair reagerend type.

Zo hebben we misschien wel een uur zitten spelen en kletsen. Op een gegeven moment kwam iemand van mijn bak me halen. Die was hoogst verbaasd, maar begon pas met plagen – zo vriendelijk waren we onderling wel – toen we buiten gehoorsafstand waren. Het was een voorproefje van wat de dagen erop zou volgen. Hoe vaak de woorden pedofiel en kinderlokker wel niet gevallen zijn... Ik kreeg van mijn bak eerst een beha maat AA, of ZZ – nooit begrepen hoe dat systeem werkt. De kleinste in ieder geval. Daarna een seksboekje met opdracht en nog een aantal van zulke grappig bedoelde aanmoedigingen. Gelukkig had ik dus dat vermogen om hier van buitenaf naar te kijken, anders had ik weinig lol aan dat kamp beleefd. Hoewel, soms moest ik ook wel lachen om de creativiteit en de humor die mijn maten in hun plagerijen stopten. Op een gegeven moment was ik het zat, maar ik wist dat ik dat beter niet kon laten merken en dat deed ik dus ook niet. Ik kon behoorlijk cool zijn als het moest. Dat wisten ze wel van me; ze waren er niet op uit om het kamp voor me te verzieken. Ik snapte het ook wel. Als iemand anders van de bak de klos was geweest, had ik ongetwijfeld meegedaan met creatief jennen. Halverwege het kamp was de lol er denk ik af; het plagen werd toen gelukkig een stuk minder.
Vanaf die eerste ontmoeting brachten Mieke en ik bijna iedere dag dat ik niet met de bak op pad was, wel een uur of meer met elkaar door. Vaak zaten we in de zandbak, soms ging ik mee boodschappen doen in het dorp. Twee of drie keer ging ze mee een stukje roeien, een keer mocht ze met de bak mee zeilen. We voerden hele gesprekken, maar konden ook prima stil bij elkaar zitten. Ik herinner me hoe we op een ochtend een eind de vaart afroeiden, met als enige geluid het gekraak van de riemen en het gepiep van de dollen.
Natuurlijk vroeg ik me wel af wat er nou in godsnaam aan de hand was met me dat ik zoveel tijd doorbracht met een meisje van negen. Maar dat ik daar geen antwoord op vond, was geen aanleiding voor me om ermee te stoppen. Ik vond het contact met haar gewoon leuk, punt. Zo zag ik het en zo zei ik het ook tegen de staf, toen ik daar een gesprek mee moest hebben. Zij snapten het ook niet zo goed natuurlijk. Die stafmensen waren oké;. Zolang het niet ten koste ging van het meedoen aan de activiteiten hadden ze er geen probleem mee. Ze vroegen of het met Auk te maken had en ik zei van wel, dat leek me in mijn voordeel. Maar ik was er niet zeker van. Tenslotte was Auk mijn broertje en was hij geen zeven jaar jonger geweest dan ik, maar drie.
Hoe dan ook, zo ging het. Ik genoot van het contact met Mieke. Van haar laconieke manier van doen, het slordige sluike haar, haar mondje dat steeds een scheef lachje leek te hebben. Haar rustige maar efficiënte manier van bewegen, haar achterafopmerkingen die soms heel raak waren. Ze was doorgaans opgewekt, en tegelijk had ze iets van tragiek om zich heen. Of misschien was dat mijn invulling. Eigenlijk genoot ik misschien niet zozeer van haar, maar meer van hoe ik mij voelde als we samen waren. Mijn neiging om alles een beetje te bekijken vanaf de zijlijn was er dan niet, of veel minder. Ik kon opgaan in het spel of het gesprek. Dat was het vooral, denk ik.
Ik had ook contact met haar broer en haar ouders. Die broer was drummer. Hij wilde bij zo’n feestorkest spelen later. Dat was voor mij, als bassist bij wie voornamelijk rock-’n-roll door de aderen stroomde, natuurlijk iets om meewarig het hoofd bij te schudden. Dat deed ik overigens niet waar hij bij was. Hij was aardig en z’n ouders ook. De boer zag ik niet vaak, maar met Mieke’s moeder maakte ik wel eens een praatje. Het viel mij op dat de Rotterdammers, die grapjes maakten over de ‘boer’n,’ in feite minder ruimdenkend en relaxed waren dan deze mensen. Die ouders hadden gezien dat ik oké was, en daarmee was voor hen de kous af. Zij vroegen nooit wat ik er nou aan vond om met Mieke op te trekken.
De keer dat ze mee ging zeilen met de bak markeerde het definitieve einde van de plagerijen. Er werden nog wel grapjes gemaakt, maar niet meer zo op mij gericht. ’s Avonds in de tent kon er opeens iemand zogenaamd in z’n slaap ‘Miekuh’ kreunen, dat soort dingen. Tegen haar zelf was iedereen altijd aardig.
Waar praatten we over? Van alles. Mieke vertelde over haar familie, school, het leven op de boerderij. Ik vond het leuk om haar dingen te vertellen, dingen te leren ook. Zeemansknopen bijvoorbeeld. Ze vroeg wel eens dingen over Auk, over wie ik verteld had. En over hoe het was om in een grote stad te wonen, daar was ze heel nieuwsgierig naar.
Het leuke van ons contact zat hem ook niet zozeer in wáár we het over hadden. Het was meer dat we, denk ik nu althans, iets gemeen hadden in onze manier van in het leven staan. Iets relativerends. Nieuwsgierig. Ook wel iets van ‘why not?’ Ze vond niet snel iets gek of te moeilijk of te ver of te ingewikkeld. En ik ook niet. Dat werd later dus wel anders bij mij, mede door haar.

Mieke was niet het enige leuke aan het kamp. En het was ook niet zo dat ik de hele tijd met haar bezig was. Ik deed gewoon aan alle activiteiten mee en zocht haar af en toe op tussen de bedrijven door. We hebben met de bak heel wat afgelachen, in het dorp vooral. Altijd commentaar op alles en iedereen. Als je er een paar grappige, originele jongens tussen hebt zitten, dan kan zo’n kamp haast niet stuk. Het was ook vrij goed weer die weken, dat scheelt ook. Zeilwedstrijd naar Volendam en terug. Speurtocht op Marken. Dat soort dingen. In ons taalgebruik werd zo’n aangekondigde speurtocht dan verbasterd tot ‘morgen gaan we Sijtje Boes pakken’. Sijtje Boes, zo’n beetje de koningin van Marken, met de bekende souvenierwinkel. We hebben haar niet gezien, laat staan gepakt.
Monnickendam bezat een snackbar annex café waar we vaak heen gingen. Ze hadden daar een leuke flipperkast, waar ik een keer zoqat een uur met Mieke op geflipperd heb. Een jukebox stond er ook. Goeie ouwe tijd. I put a spell on you van Creedence, daar heb ik heel wat guldens in geïnvesteerd. Sacramento was muzikaal duidelijk minder, maar we wisten allemaal hoe de zangeres eruit zag. Want ik was geen uitzondering in mijn bak; we waren in ons hoofd met weinig anders bezig dan met meisjes. We hadden het daar dan wel de hele dag over, maar van er werkelijk een aan de haak slaan kwam natuurlijk niets terecht.
Mieke had voor mij helemaal niets met wijven of seks of verliefdheid te maken. Misschien was met haar optrekken daarom wel zo aantrekkelijk voor me. Bij haar hoefde ik niet de hele tijd aan vrouwen te denken of over wijven te praten. Bedenk ik nu. Meestal hing er een soort rusteloosheid over onze bak, ook over mij. We roken aan het echte leven, waarin we dingen gingen beleven die tot nu toe verboden of onbereikbaar waren geweest. We hadden honger, om het zo te zeggen. Maar bij Mieke in de zandbak hoefde er niets, voelde ik me op m’n gemak. Dichter bij mezelf, al zou ik dat toen niet zo verwoord hebben. Ik hield het voor mezelf en voor anderen op: ik vind het leuk, klaar.

Volgens de traditie was er op de laatste dag van het kamp een soort bonte avond, met cabaretstukjes, muziek en de nodige drank. De afspraak met onze ouders was dat drank in beperkte mate was toegestaan als de staf erbij was. ‘Beperkt’ is een rekbaar begrip natuurlijk. De staf liet zich ook niet onbetuigd op feestjes. Op die avond heb ik nog met Mieke’s broer samen een duet gespeeld. Hij op z’n drumstel en ik op zo’n bezemsteelbas. Daar mocht Mieke bij zijn van haar ouders. Erna heeft ze nog met Plee gedanst. Ze was niet verlegen.
Toen ze naar bed was heb ik me afgevraagd of ik nog contact met haar zou willen hebben eenmaal terug in Rotterdam. Een aantal gezinsvakanties hadden me geleerd dat er meestal niets terecht komt van alle plannen en beloftes om contact te houden en elkaar op te zoeken. Dat laatste leek me sowieso geen goed idee. Hier af en toe een uurtje met elkaar doorbrengen was nog wat anders dan vanuit Rotterdam helemaal naar Monnickendam reizen voor een bezoek. Die behoefte had ik niet. Of misschien ergens wel, maar, nou ja, het leek me gewoon niet realistisch om te verwachten dat het speciale contact van die twee weken bestendigd kon worden. Dus de volgende dag namen we afscheid en beloofde ik haar een kaartje te sturen uit Rotterdam. Zij vroeg mijn adres dus dat gaf ik haar. Het was te merken dat ze verdrietig was, maar ze hield zich goed. Ik was druk bezig met spullen inpakken en had maar heel even om gedag te zeggen. Dus heb ik haar bedankt voor de gezellige uren, gezegd dat ik zeker langskwam als ik in de buurt was en dat ik aan haar zou denken iedere keer als ik langs een zandbak kwam. Ik tilde haar op, gaf haar twee zoenen en dat was het dan. Ze kwam ons uitzwaaien aan de vaart, met haar broer.
Pas aan het eind van die middag, toen we moe waren en nog een heel eind moesten jagen – de boot lopend voorttrekken aan een touw – voelde ik dat ik haar begon te missen en werd ik wat melancholiek. Het was me al eerder opgevallen hoe de sfeer zachter kon worden in de boot tegen zondondergang. Dan kwamen er ook voorzichtige bekentenissen over gevoelens. Ik weet nog dat Plee opeens zonder aanleiding zei dat Mieke een apart meisje was. Daarna ging het gesprek over zusjes. Die had ik niet. Ik heb alleen een oudere broer. Hans heeft me muzikaal opgevoed. Hij heeft een tijdje in de 44East Band gespeeld, maar dat zegt niet veel mensen meer iets geloof ik.
Over de terugreis valt verder niet zoveel te vertellen. We kwamen veilig terug op de Kralingse plas. Veel ouders stonden al langs de boezemvaart en bij de sluis. Toen werd mijn ouders natuurlijk wel even gemeld dat ik een vakantieliefde van negen had gehad. Maar ze kenden de club inmiddels en besteedden er geen aandacht aan.

Het beloofde kaartje heb ik Mieke een paar weken later inderdaad gestuurd. Een kaart van de Plas, met groetjes uit Rotterdam. Vrij snel kreeg ik een kaartje terug met een paar zinnen erop en de groeten uit Monnickendam. En daar bleef het bij.